Hoofdstuk 4 - De zorg voor de kinderen

4. De zorg voor kinderen.  

4.1 De opvang van nieuwe leerlingen in de school.

Wanneer uw kind de leeftijd van 4 jaar heeft bereikt, kan het groep 1 van onze school bezoeken.
Tevoren ontvangt u een uitnodiging van de leerkracht van groep 1-2, waarop staat wanneer uw kind kan komen kennismaken.
De leerkracht zal dan tevens met u afspreken wanneer uw kind een aantal morgens of middagen de desbetreffende groep kan komen bezoeken.
Van leerlingen die eerder een andere school bezochten wordt de informatie van de vorige school gebruikt om de overgang naar onze school zo
soepel mogelijk te laten verlopen.

4.2 Leerlingenzorg

4.2.1 Adaptief onderwijs

De ontwikkelingen in het basisonderwijs verlangen dat het "werken in de klas" meer en meer gericht is op adaptief onderwijs.
Dat is onderwijs op maat. De basis van goede zorg ligt in de groep en dat betekent dat onderwijs aangepast moet zijn aan de
onderwijs- en ontwikkelings-behoeften van kinderen.
Leerkrachten worden hierin bijgestaan door de interne begeleider Monique de Goede. Zij coördineert de  leerlingenzorg.

4.2.2 Leerlingdossiers.

Zodra uw kind op onze school komt wordt er een (deels digitaal) dossier aangelegd, waarin zich persoonsgegevens, 
onderzoeken, e.d. bevinden. Gegevens die niet digitaal opgeslagen zijn worden in leerlingdossiers bewaard.
Uiteraard liggen deze achter slot en grendel opgeborgen.

U heeft als ouder het recht om het dossier van uw kind in te zien.
Praktisch gezien betekent dit dat u een afspraak moet maken met de directie om het dossier te raadplegen.

Het kan zijn dat de school delen van het leerlingendossier van uw kind aan anderen wil laten zien, bijvoorbeeld aan de schoolbegeleidingsdienst.
Dat kan alleen als u als ouder daarvoor toestemming hebt gegeven.

4.2.3 Leerlingvolgsysteem.

Onze school werkt met het Cito-LOVS (= Cito leerling-en onderwijs-volgsysteem).
Dit is een verzameling toetsen, die niet aan  een methode zijn gebonden, waarmee we de vorderingen van de leerlingen volgen vanaf de kleuterjaren
tot en met groep 8.
Het laat zien hoeveel een kind in een bepaalde periode heeft bijgeleerd. Bijvoorbeeld de periode tussen januari en juni.
De toetsen zijn afgenomen bij een grote groep leerlingen verspreid over het hele land.
Daardoor is het mogelijk de vorderingen van uw kind
te vergelijken met alle kinderen in Nederland die net zoveel onderwijstijd achter de rug hebben.
Het voordeel daarvan is dat je een goede maatstaf hebt voor het beoordelen van de vorderingen en goed in de gaten kunt houden
of de vorderingen van de leerling  (met zijn of haar mogelijkheden) bevredigend te noemen zijn.
Na elke toetsperiode volgt een groeps- en leerlingbespreking waarin de groepsleerkracht en de I.B.-er
de resultaten van de groep en van de individuele leerlingen bespreken.
Dit kan resulteren in een andere aanbieiding (bijvoorbeeld meer begeleiding of extra leerstof.
Ook is er duidelijk aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.

4.2.4 Extra hulp

Hulp kan op verschillende manieren geboden worden.
In de eerste plaats  in de groep, door de eigen leerkracht.
Zo kan uw kind bijvoorbeeld in de kleine kring extra aandacht krijgen.( dit gebeurt bij de kleuters)
Een andere mogelijkheid is verlengde instructie en hulp bij het inoefenen krijgen aan de instructietafel.
Dit gebeurt vaak  samen met andere leerlingen ( groep 3 t/m 8).

Zowel binnen als buiten de groep kan pre-teaching plaatsvinden. Kinderen worden dan alvast voorbereid op bijvoorbeeld de taalles in de groep.
Omdat zij de uitleg al een keer gehoord en/of al hebben geoefend profiteren zij meer van de les in de groep.
Soms is het beter voor een kind om meer op het eigen niveau te werken.

Voor leerlingen die (gedeeltelijk) een eigen leerlijn volgen wordt (doorgaans vanaf groep 6) een ontwikkelingsperspectief opgesteld.
Hierin wordt het (vermoedelijke) uitstroomprofiel van de leerling aangegeven en wordt voor elk nieuw schooljaar de aanpak,
methodes en af te nemen toetsen aangegeven. Het ontwikkelingsperspectief dient door de ouders ondertekend te worden. 

Welke extra hulp een leerling krijgt wordt doorgaans vastgelegd in een handelingsplan.
Daarin staan altijd de doelen beschreven en de aanpak waarmee deze doelen worden nagestreefd.
Na verloop van tijd (meestal na 6 tot 8 weken) wordt het plan geëvalueerd en eventueel bijgesteld.
Als handelingsplannen onvoldoende effect hebben wordt, in overleg met de ouders extern hulp ingeschakeld.
Leerkracht en intern begeleider bespreken samen, vaak in overleg met ouders, wat het beste is voor het kind.
Er wordt door de leerkracht een handelingsplan gemaakt . Na een bepaalde tijd ( meestal zo’n 6 tot 8 schoolweken)
wordt het handelingsplan geëvalueerd en eventueel bijgesteld.
Soms heeft een handelingsplan onvoldoende effect en wordt, in overleg met ouders, externe hulp ingeschakeld. I
n veel gevallen worden leerkracht, intern begeleider en ouders dan geadviseerd en begeleid door de leerlingbegeleidster van de IJsselgroep.

4.2.5. Onderwijszorgloket.

Als bovenstaande procedure helemaal is doorlopen en niet tot gewenste resultaten heeft geleid, kan de leerling aangemeld worden bij het OZL(OnderwijsZorgLoket). De leden van deze commissie wordt gevraagd met ouders en school mee te denken in de vraag hoe het onderwijs beter
op de onderwijsbehoeften van de betreffende leerling afgestemd zou kunnen worden.
Dit zou kunnen leiden tot het advies de leerling aan te melden bij een andere basisschool of een school voor speciaal (basis-)onderwijs.

4.2.6.  Leerlinggebonden financiering

Tot nu toe kon in bijzondere gevallen voor een  leerling een zogenaamde ‘rugzak’ worden aangevraagd.
Deze ‘rugzak’ bestond uit  extra middelen die het mogelijk maakten dat een leerling specifieke hulp en begeleiding
(vanuit het speciaal onderwijs) op de basisschool kreeg.
Met de komst van de wet op het Passend  Onderwijs zal deze regeling ingrijpend veranderen.

4.2.7.Toetskalender.

Toets Sept Okt Nov Dec Jan Febr Mrt April Mei Juni
Ordenen
        M1
M2
        E1
E2
Fonemisch
bewustzijn
Gr 2
      Gr 2
        Gr 2
Taal
Kleuters
        M1
M2
        E1
E2
Kleuter
observatie
taal
  Gr 1
Gr 2

          Gr 1
Gr 2

   
DMT

  B4
B7
  B3

    M3
M6
  E3
E5
E6
 
Begr Lezen
        M4
M6
        E3
E4
Spelling
          M3
M8
      E3
E7
Rekenen
Wiskunde
        M4
M8
M3
      E3
E7
Entree toets                 Gr 7  
Eind toets           Gr 8        
Dyslexie
protocol
Gr 8
                 
  
4.2.8.  Zittenblijven

In onze groepen wordt zoveel mogelijk uitgegaan van  de mogelijkheden van het kind zelf en minder van de leerstof.
Zittenblijven zal dan ook alleen worden overwogen, wanneer dit in het belang van het kind is.
Ouders worden hierbij gezien als belangrijke partner in het overleg. Mocht men ondanks zorgvuldig overleg niet tot een eensluidend oordeel komen,
dan neemt de directeur, na alle argumenten te hebben gehoord, de uiteindelijke beslissing in welke groep een kind wordt geplaatst.

4.2.9.  Overgang groep 2 naar 3: plaatsingsbeslissingen.

Op De Kolkstede bezoeken de meeste kinderen de school zodra zij vier jaar zijn geworden.
Ze komen dan in groep 1, maar zitten in de groep samen met kinderen uit groep 2: we spreken van een gemengde groep 1-2.
Door de verschillende instroommomenten in groep 1 blijven niet alle kinderen even lang in groep 1.
Snelle leerlingen maken soms al na ruim een half jaar de stap naar groep 2, terwijl andere kinderen meer tijd nodig hebben
 en ruim een jaar ( soms anderhalf jaar) nodig hebben.
Dit speelt bij de overgang van groep 1 naar groep 2, maar ook bij de overgang van groep 2 naar 3.
De leerkrachten van De Kolkstede vinden dat niet de leeftijd alleen moet bepalen of kinderen naar een volgende groep gaan.
Er moet ook gekeken worden of een kind in zijn ontwikkeling zover is, dat hij kan doorstromen. We zijn hierin voorzichtig,
omdat rijping en (sociaal-emotionele) ontwikkeling ook tijd nodig hebben.

De praktijk leert dat kinderen die jarig zijn tussen januari en juni (juli/augustus) na (ruim) 2 jaar onderwijs in de regel doorstromen
 van groep 2 naar groep 3. Slechts in uitzonderingsgevallen komt het voor dat voor deze kinderen tot een versnelde doorstroom of
een verlengde kleuterperiode wordt besloten. Voor met name de kinderen die jarig zijn in september, oktober, november en (in mindere mate )
december komen we voor de keus te staan om een  kind  ‘snel’ te laten doorstromen naar groep 3: na 1 ½  tot 2 jaar onderwijs in groep 1-2, of:
te besluiten het na 1 ½ - 2 jaar onderwijs nog een jaar in de kleutergroep te plaatsen. Dit dilemma doet zich het meest voor bij de overgang van
Ook meer begaafde kinderen hebben extra zorg nodig. Veel van deze kinderen zijn op een aantal gebieden hun leeftijdgenoten vooruit en worden
 niet voldoende uitgedaagd door de reguliere leerstof in hun groep. Voor deze  kinderen wordt –soms alleen voor een bepaald
vakgebied- het lesprogramma aangepast.
Dat kan door het weglaten van bepaalde oefenstof (het zogenaamde compacten), daarnaast het bieden van andere leerstof of aanvullende opdrachten.
Een enkele keer slaat een kind een groep over.

In de hogere groepen bestaat de mogelijkheid dat leerlingen een zogenaamde plusklas op het voorgezet onderwijs bezoeken.

 Het is van belang meer begaafde kinderen zo vroeg mogelijk te herkennen.
Vanaf  zomer 2011 zullen we bij de instroom in groep 1 o.a. met een vragenlijst nagaan of hier mogelijk sprake van is.
Ook vullen alle leerkrachten in oktober een screeningslijst voor hun groep in. 

 4.2.11. De begeleiding van de overgang van kinderen naar het V.O.

 Na groep 8 van de basisschool vervolgen de leerlingen hun onderwijsloopbaan in het voortgezet onderwijs.
De school adviseert ouders over de meest geschikte vorm van onderwijs na de basisschool.
Informatie over het voortgezet onderwijs ontvangt u via de school. Hierbij wordt het schooladvies mondeling toegelicht en besproken met de ouders.

Het schooladvies is gebaseerd op:

  • De kennis en de ervaring die de basisschool met het kind gedurende acht jaar heeft opgedaan.
  • De resultaten van de Entreetoets en de Eindtoets Basisonderwijs van het CITO

 Via school melden de ouders hun kind aan bij het voortgezet onderwijs.
De scholen voor voortgezet onderwijs beslissen over toelating en plaatsing.

 4.2.12 Pesten.

Ook op onze school worden kinderen helaas wel eens gepest. Om dit pesten zoveel mogelijk tegen te gaan,
ondernemen wij als team elk schooljaar weer preventieve actie.

Op De Kolkstede hebben we een pestprotocol opgesteld. In vastgestelde pestsituaties geldt dat het pestprotocol in werking gaat.
Maar natuurlijk proberen we ook pesten te voorkomen door afspraken om een goed leefklimaat op school te bevorderen.

 Algemene lijn om pesten op school te voorkomen

 1.  Aan het einde van het cursusjaar worden er afspraken gemaakt met betrekking tot de start van het nieuwe jaar, met name wat betreft
      het begeleiden van de groepsvorming.
      Bij de opening van het jaar worden deze afspraken nog een keer aangescherpt.

2. De school heeft parapluregels opgesteld voor de omgang tussen leerlingen onderling.
    Elke leerkracht draagt er zorg voor dat in de periode tot aan de herfstvakantie aandacht besteed wordt aan regels voor de omgang met elkaar. 
    De naleving hiervan wordt regelmatig ter sprake gebracht.

3.  Aan het begin van het schooljaar worden a) de checklist signaleren, en  b) ZIEN afgenomen.
     Met deze instrumenten brengen we de sociaal-emotionele ontwikkeling en het welbevinden van de kinderen in beeld.
     De intern begeleider ontvangt van alle klassen de overzichten. Hierna worden deze in de teamvergadering besproken.

4.  Tijdens oudercontacten wordt gevraagd of de ouders signalen hebben gekregen dat hun kind anderen pest, gepest wordt of
     aangeeft dat anderen in de klas of op school gepest worden.

5.  Wanneer er aanleiding voor is worden Soemo-kaarten of de methode Leefstijl ingezet voor het verbeteren  van de sociale vaardigheden,
     maar ook met onze godsdienstmethode Trefwoord wordt aandacht geschonken aan omgaan met elkaar.

6.  Aan het einde van het cursusjaar wordt de hierboven vastgestelde lijn geëvalueerd.
     Daarbij wordt besproken of het protocol voldoende heeft voorzien in de voorkomende situaties en/of aanvullingen nodig zijn.
     Tevens wordt er vooruitgeblikt naar het nieuwe cursusjaar.

Wat doen we als er toch gepest wordt?
Er wordt volgens een vastgesteld protocol gesproken met de pester en het gepeste kind en indien nodig met de groep.
In overleg met het team en/of directie wordt besloten hoe ouders hierbij betrokken moeten worden.

Het lieveheersbeestje

Het lieveheersbeestje is het symbool van de StichtingTegenZinloosGeweld.
Er is gekozen voor het lieveheersbeestje, omdat het staat voor geluk en liefde.
Op het schoolplein van De Kolkstede liggen stoeptegels met het lieveheersbeestje erop!
De stoeptegel is bedoeld als een positief teken tegen pesten, agressie en geweld.
 

alt